Ontdek

Studie 17

Verlossing: Jezus voedt vijfduizend

Johannes 6:1-37

Stap 1: Lees het verhaal

Lees of luister naar de volgende passage

x1.0

1Hierna vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galilea, ofwel van Tiberias.

2En een grote menigte volgde Hem, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken.

3En Jezus ging de berg op en ging daar zitten met Zijn discipelen.

4En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij.

5Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag dat een grote menigte naar Hem toe kwam, zei Hij tegen Filippus: Waar zullen wij broden kopen, opdat deze mensen kunnen eten?

6Maar dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist Zelf wat Hij zou gaan doen.

7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor hen niet genoeg, zodat ieder van hen een beetje zou kunnen krijgen.

8Een van Zijn discipelen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tegen Hem:

9Hier is een jongetje dat vijf gerstebroden en twee visjes heeft, maar wat betekenen die voor zovelen?

10En Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. En er was veel gras op die plaats. Dus gingen de mannen zitten, ongeveer vijfduizend in getal.

11En Jezus nam de broden, en nadat Hij gedankt had, deelde Hij ze uit aan de discipelen, en de discipelen aan hen die daar zaten; op dezelfde manier werden ook de visjes uitgedeeld, zoveel zij wilden.

12En toen zij verzadigd waren, zei Hij tegen Zijn discipelen: Verzamel de overgebleven stukken, zodat er niets verloren gaat.

13Zij verzamelden ze nu en vulden twaalf manden met stukken van de vijf gerstebroden die overgebleven waren bij hen die gegeten hadden.

14Toen de mensen dan het teken dat Jezus gedaan had, gezien hadden, zeiden zij: Híj is werkelijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.

15Omdat Jezus nu wist dat zij zouden komen en Hem met geweld mee zouden nemen om Hem koning te maken, trok Hij Zich opnieuw terug op de berg, Hij Zelf alleen.

16En toen het avond werd, daalden Zijn discipelen af naar de zee.

17En toen zij in het schip gegaan waren, staken zij de zee over naar Kapernaüm. En het was al donker geworden en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen.

18En de zee werd onstuimig, want er waaide een harde wind.

19En toen zij ongeveer vijfentwintig of dertig stadiën geroeid hadden, zagen zij Jezus op de zee lopen en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd.

20Maar Hij zei tegen hen: Ik ben het, wees niet bevreesd.

21Zij wilden Hem dan in het schip nemen, en meteen bereikte het schip het land waar zij naartoe voeren.

22De volgende dag zag de menigte, die aan de overkant van de zee stond, dat daar geen ander scheepje was dan dat ene waar Zijn discipelen in gegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen niet in het scheepje gegaan was, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren.

23Maar er kwamen andere scheepjes van Tiberias, dicht bij de plaats waar zij het brood gegeten hadden nadat de Heere gedankt had.

24Toen de menigte nu zag dat Jezus daar niet was, en ook Zijn discipelen niet, gingen zij zelf ook in de schepen en kwamen in Kapernaüm om Jezus te zoeken.

25En toen zij Hem gevonden hadden aan de overkant van de zee, zeiden zij tegen Hem: Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?

26Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: U zoekt Mij, niet omdat u tekenen gezien hebt, maar omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent.

27Werk niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal; want Hem heeft God de Vader verzegeld.

28Zij zeiden dan tegen Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken van God mogen verrichten?

29Jezus antwoordde en zei tegen hen: Dit is het werk van God: dat u gelooft in Hem Die Hij gezonden heeft.

30Zij zeiden dan tegen Hem: Welk teken doet U dan, opdat wij het zien en U geloven? Wat voor werk verricht U?

31Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven is: Hij gaf hun het brood uit de hemel te eten.

32Jezus dan zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel.

33Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft.

34Zij zeiden dan tegen Hem: Heere, geef ons altijd dat brood.

35En Jezus zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.

36Maar Ik heb u gezegd dat u Mij wel gezien hebt, en toch gelooft u niet.

37Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.

Stap 2: Vertel het verhaal opnieuw

Neem een paar momenten de tijd om het verhaal in je eigen woorden na te vertellen. Je kunt het hardop zeggen of opschrijven. Als je merkt dat je moeite hebt om het te onthouden, lees of luister er dan nog eens naar.

Stap 3: Ontdek het verhaal

Wanneer je het gevoel hebt dat je vertrouwd bent met het verhaal, neem dan de tijd om na te denken over of de volgende vragen te bespreken.


Get it on Google Play
Download on the App Store

Get Discovery Bible Studies on your phone

Discover copyright ©2015-2026 discoverapp.org

© Stichting HSV en Stichting HSV/Royal Jongbloed 2010-2017