Ontdek

Studie 20

Verlossing: Jezus vertelde over de Weg van God

Lucas 10:25-37; 15:11-32

Stap 1: Lees het verhaal

Lees of luister naar de volgende passage

x1.0

25En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken, en zei: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

26En Hij zei tegen hem: Wat staat er in de Wet geschreven? Wat leest u daar?

27Hij antwoordde en zei: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.

28Hij zei tegen hem: U hebt juist geantwoord. Doe dat en u zult leven.

29Maar hij wilde zichzelf rechtvaardigen en zei tegen Jezus: Wie is mijn naaste?

30Jezus antwoordde en zei: Een man ging van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem de kleren uittrokken, hem daarbij slagen toedienden en hem bij hun vertrek halfdood lieten liggen.

31Toevallig kwam er een priester langs diezelfde weg, en toen hij hem zag, ging hij aan de overkant voorbij.

32Evenzo ging ook een Leviet, toen hij op die plek kwam en hem zag, aan de overkant voorbij.

33Maar een Samaritaan die op reis was, kwam in zijn buurt, en toen hij hem zag, was hij met innerlijke ontferming bewogen.

34En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden en goot er olie en wijn op. Hij tilde hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem.

35En toen hij de volgende dag wegging, haalde hij twee penningen tevoorschijn, en hij gaf ze aan de waard en zei tegen hem: Zorg voor hem, en wat u verder aan kosten maakt, zal ik u geven als ik terugkom.

36Wie van deze drie denkt u dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers gevallen was?

37En hij zei: Degene die hem barmhartigheid bewezen heeft. Jezus zei tegen hem: Ga heen en doet u evenzo.

11En Hij zei: Een zeker mens had twee zonen.

12En de jongste van hen zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de goederen dat mij toekomt. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.

13En niet veel dagen daarna maakte de jongste zoon alles te gelde en reisde weg naar een ver land en verkwistte daar zijn vermogen in een losbandig leven.

14En toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden.

15En hij ging heen en voegde zich bij één van de burgers van dat land, en die stuurde hem naar zijn akkers om de varkens te weiden.

16En hij verlangde ernaar zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, maar niemand gaf hem die.

17En nadat hij tot zichzelf gekomen was, zei hij: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom om van honger.

18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u.

19En ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden. Maak mij als één van uw dagloners.

20En hij stond op en ging naar zijn vader. En toen hij nog ver van hem verwijderd was, zag zijn vader hem en deze was met innerlijke ontferming bewogen en hij snelde hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem.

21En de zoon zei tegen hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u. Ik ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden.

22Maar de vader zei tegen zijn dienaren: Haal het beste gewaad tevoorschijn en trek het hem aan en geef hem een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten.

23En breng het gemeste kalf en slacht het, en laten we eten en vrolijk zijn.

24Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.

25Zijn oudste zoon nu was op de akker. En toen hij dichter bij huis kwam, hoorde hij muziek en reidans.

26En nadat hij één van de knechten bij zich geroepen had, vroeg hij wat er aan de hand was.

27Deze nu zei tegen hem: Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem weer gezond teruggekregen heeft.

28Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan. Toen ging zijn vader naar buiten en spoorde hem aan.

29Maar hij antwoordde en zei tegen zijn vader: Zie, ik dien u al zoveel jaren en heb nooit uw gebod overtreden en u hebt mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn.

30Maar nu deze zoon van u gekomen is, die uw bezit met hoeren opgemaakt heeft, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.

31En hij zei tegen hem: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou.

32Wij zouden dan vrolijk en blij moeten zijn, want deze broer van jou was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden.

Stap 2: Vertel het verhaal opnieuw

Neem een paar momenten de tijd om het verhaal in je eigen woorden na te vertellen. Je kunt het hardop zeggen of opschrijven. Als je merkt dat je moeite hebt om het te onthouden, lees of luister er dan nog eens naar.

Stap 3: Ontdek het verhaal

Wanneer je het gevoel hebt dat je vertrouwd bent met het verhaal, neem dan de tijd om na te denken over of de volgende vragen te bespreken.


Get it on Google Play
Download on the App Store

Get Discovery Bible Studies on your phone

Discover copyright ©2015-2026 discoverapp.org

© Stichting HSV en Stichting HSV/Royal Jongbloed 2010-2017